Kinderen en school en COVID-19

  • door
Deel deze informatie !
  • 1
    Delen
corona

Bijgewerkt 26 augustus

Wereldwijd zijn er relatief weinig kinderen gemeld met COVID-19, de ziekte die wordt veroorzaakt door het nieuwe coronavirus. Het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu  doet onderzoek naar de rol van kinderen bij de verspreiding van het virus. 

Het nieuwe coronavirus verspreidt zich vooral onder volwassenen en van volwassen familieleden naar kinderen. Verspreiding van COVID-19 onder kinderen of van kinderen naar volwassenen komt minder vaak voor. Over het algemeen geldt; hoe jonger het kind, hoe minder groot de rol bij de verspreiding van het virus is.

Afstand tussen kinderen onderling

De 1,5 meter maatregel voor kinderen is versoepeld, omdat zij een kleine rol spelen in de verspreiding: 

  • Kinderen tot en met 12 jaar hoeven onderling én tot volwassenen geen 1,5 meter afstand te houden. Dit geldt ook op de kinderopvang en het basisonderwijs.
  • Jongeren van 13 tot 18 jaar hoeven onderling ook geen 1,5 meter afstand te houden maar wel tot anderen (volwassenen). Dit geldt voor alle leerlingen (ongeacht leeftijd) op de middelbare scholen. 
  • In het MBO middelbaar beroepsonderwijs  en hoger onderwijs houden alle leerlingen 1,5 meter afstand tot elkaar, ongeacht hun leeftijd.
  • Volwassenen spelen een grotere rol in de verspreiding van het nieuwe coronavirus. Daarom moeten zij wel steeds 1,5 meter afstand tot elkaar houden. 

Scholen en kinderopvang 

Alle scholen in Nederland gaan na de zomervakantie weer open. Bij navraag bij alle 25 GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst ’en blijkt dat er geen enkele melding was van mogelijke COVID-19-clusters die een link had met (noodopvang voor) school of kinderopvang voor de schoolsluiting op 16 maart. Na heropening van het primair onderwijs en kinderopvang zijn er enkele besmettingen bij personeelsleden op scholen gemeld; het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu  heeft geen meldingen ontvangen van personeelsleden die door kinderen besmet zijn. (gegevens begin juni 2020).  

Voorkom verspreiding van het virus (op scholen)

Om ervoor te zorgen dat de verspreiding van het nieuwe coronavirus zo laag mogelijk blijft, is het belangrijk dat de maatregelen worden opgevolgd: 

  • Heb je milde klachten, zoals neusverkoudheid, loopneus, niezen, keelpijn, lichte hoest of verhoging tot 38 graden Celsius? En/of heb je plotseling verlies van reuk of smaak? Laat je testen* en blijf thuis tot de uitslag van de test bekend is.  
  • Heb je ook koorts en/of benauwdheid? Iedereen in het huishouden blijft thuis.
  • Als iemand in het huishouden positief is getest op COVID-19, blijft Iedereen in het huishouden thuis. Krijg je klachten? Dan laat je je testen.
  • Pas goede hygiëne toe (was vaak je handen met water en zeep, hoest en nies in de binnenkant van je elleboog, gebruik papieren zakdoekjes om je neus te snuiten en gooi ze daarna weg). 
  • Kom je terug uit een COVID-19-risicogebied, dan moet je 10 dagen in quarantaine.  Voor kinderen op de basisschool geldt hiervoor een uitzondering. Informatie hierover vind je op rijksoverheid.nl.

* Let op: kleine kinderen die verkouden zijn hoeven niet altijd getest te worden.
Testen is nodig als zij:

  • een contact zijn van iemand die besmet is met het nieuwe coronavirus
  • deel uitmaken van een uitbraakonderzoek
  • andere klachten hebben die bij het nieuwe coronavirus passen. 

Meer informatie vind je op de website van de Rijksoverheid.

Jonge kinderen met verkoudheidsklachten mogen naar kinderopvang en basisschool

Kinderen van 0 tot 4 jaar met neusverkoudheid mogen naar het kinderdagverblijf of gastouderopvang, als zij geen koorts hebben. En kinderen die in groep 1 of 2 zitten van de basisschool mogen met verkoudheidsklachten naar school en naar de buitenschoolse opvang, als zij geen koorts hebben.  

Dit geldt niet als:

  • Kinderen contact hebben gehad met een patiënt die het nieuwe coronavirus heeft.
  • Er iemand in het huishouden van het kind is met koorts of benauwdheid. 

Het kind moet dan thuisblijven en het is belangrijk om het kind te laten testen*. 

Kinderen die  hoesten, benauwd zijn of andere klachten hebben die bij COVID-19 kunnen passen, moeten thuisblijven tot de klachten over zijn. Kinderen kunnen op verzoek van de ouders getest worden. Neem contact op met de huisarts als je kind ernstige klachten heeft. 

Het is bekend dat jonge kinderen vaak verkouden zijn. Maar het aantal kinderen dat besmet raakt met het nieuwe coronavirus is laag.  In de eerste twee weken van juni 2020 zijn 3.500 kinderen met klachten getest tussen de 0 en 6 jaar. Van deze kinderen was 0,5% positief. Bij kinderen die in diezelfde periode zijn getest omdat ze in contact waren geweest met een COVID-19-patiënt, lag het aantal besmettingen hoger; 14,3%.

Ventilatie op school

Goede ventilatie helpt ook om een overdracht van luchtweginfecties, zoals COVID 19, te beperken. Het is daarom belangrijk om woningen en (bedrijfs)gebouwen, zoals scholen, goed te ventileren. Dit kan door ramen op een kier te zetten, via roosters of kieren, of met mechanische ventilatiesystemen. Ventilatiesystemen moeten hiervoor minimaal voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit en bestaande adviezen en richtlijnen. Lees meer over ventileren en COVID-19 op de pagina ventilatie . Informatie over ventilatie en gebouwen vind je bij de Rijksoverheid
RIVM stelt daarnaast algemene informatie beschikbaar over hygiëne, ventileren en het binnenmilieu. Specifiek voor (basis)scholen zijn ook aanvullende adviezen beschikbaar.

Meer informatie voor scholen

Op Rijksoverheid vind je meer informatie over het nieuwe coronavirus en verschillende soorten opvang en onderwijs. Hier staat ook uitgebreide informatie voor scholen, zoals protocollen om de verspreiding van het coronavirus zo laag mogelijk te houden: 

Onderzoek naar de rol van kinderen in verpreiding van het virus

Omdat het virus nog nieuw is, doen we veel onderzoek om meer over het virus te weten te komen. Zo doen we onder andere onderzoek naar de rol van kinderen in de verspreiding van het virus. Lees hieronder meer over wat het RIVM doet, hoe we tot deze conclusies komen en wat dit concreet betekent.

Wat doet het RIVM?

Nadat de eerste landelijke maatregelen zijn ingesteld, ontstond er een maatschappelijke discussie over het wel of niet sluiten van scholen. Hoewel de rol van kinderen bij de verspreiding van COVID-19 toen al beperkt leek, waren er veel onzekerheden. Het RIVM doet daarom verschillende onderzoeken naar de rol van kinderen bij de verspreiding. Het RIVM:

  • bestudeert in detail de meldingen van COVID-19 patiënten die de GGD’en in Nederland doen.
  • onderzoekt samen met Nivel-peilstations de registraties van huisartsen over patiënten met griepachtige klachten die getest worden op COVID-19.
  • doet onderzoek onder Nederlandse COVID-19 patiënten en hun gezinscontacten
  • nam bij meer dan 2000 mensen bloed af om dit te testen op antistoffen tegen COVID-19, dit is de eerste fase van de zogenoemde PIENTER Corona studie.
  • houdt relevante literatuur over kinderen en COVID-19 bij. Het gaat hier ook om onderzoeken die in andere landen zijn uitgevoerd.

Gegevens van GGD’en

Op basis van de meldingen van GGD’en blijkt dat kinderen van 0-17 jaar 1,3% van alle gemelde patiënten met COVID-19 vertegenwoordigen, terwijl zij 20,7% van de bevolking uitmaken. Van alle in het ziekenhuis opgenomen gemelde patiënten is 0,6% van de kinderen jonger dan 18 jaar. Er zijn geen meldingen van kinderen die aan COVID-19 zijn overleden.
Sinds 1 juni 2020 kunnen alle Nederlanders met (milde) klachten getest worden op het coronavirus. Uit gegevens van de GGD-teststraten blijkt dat tussen 1 en 25 juni ruim 16.500 testen zijn afgenomen bij kinderen tot en met 12 jaar, hiervan was 0,3% positief. Van ruim 4.800 testen afgenomen bij kinderen van 13 tot en met 18 jaar was 1,4% positief.  In dezelfde periode zijn bijna 14.000 mensen die werkzaam zijn in het onderwijs of kinderopvang zijn getest. Van deze testen was 0,5% positief. Dit percentage is lager dan het totaal van 1,3% bij alle mensen getest in de teststraten in deze periode.

Verspreiding tussen leeftijdgenoten

Bij melding van een COVID-19 patiënt kan ook worden gemeld welke andere patiënt een waarschijnlijke bron van de infectie is. Deze gegevens laten zien dat verspreiding van COVID-19 vooral plaatsvindt tussen personen van ongeveer dezelfde leeftijd. Onderstaand wordt bij 732 gepaarde patiënten de leeftijden weergegeven van zowel de bronpatiënt als de patiënt die door hem of haar besmet werd (geïnfecteerde). De overdracht van het virus blijkt vooral plaats te vinden mensen van ongeveer dezelfde leeftijd, en minder tussen ouders en kinderen (van alle leeftijden).

Op basis van bron- en contactopsporing uit het begin van de epidemie zien we dat van de 43 nauwe contacten van 10 COVID-19 patiënten <18 jaar niemand ziek werd, terwijl dit 8,3% (55/566) was bij nauwe contacten van 221 patiënten ≥18 jaar. Nu bron- en contactopsporing weer grootschalig is opgestart, kunnen we deze informatie in de zomer actualiseren met recente gegevens. 

Geen besmette kinderen in huisartsenpraktijken

Rond de 40 huisartsenpraktijken in Nederland registreren het aantal patiënten dat de praktijk bezoekt vanwege griepachtige klachten, de Nivel-peilstations. Bij een deel van deze patiënten wordt een neus- en keelwat afgenomen die in het laboratorium worden onderzocht op aanwezigheid van virussen, waaronder COVID-19. In totaal was 6,5% van hen besmet. Dit percentage was het hoogst in week 14 met 30%. Bij geen van de 137 patiënten onder 20 jaar die getest zijn (gegevens tot eind april 2020), is een besmetting aangetroffen. Dit bevestigt het beeld dat kinderen minder snel besmet en ziek worden dan volwassenen.

COVID-19 in Nederlandse huishoudens

Het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu  heeft in korte tijd een onderzoek opgezet om meer te weten te komen bij besmette COVID-19 personen en hun gezinscontacten. In samenwerking met GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst  Utrecht namen gezinnen deel aan dit onderzoek. In totaal deden er tot half april 54 huishoudens mee met 239 deelnemers, waarvan 185 huisgenoten. In deze gezinsstudie werd bij geen van de 54 gezinnen aanwijzingen gevonden dat een kind <12 jaar de bron was van COVID-19 binnen het gezin. Het eerste deel van de studie is inmiddels afgerond. Het tweede gedeelte van het onderzoek loopt nog. Daarbij gaat het RIVM kijken naar verspreiding binnen gezinnen na een diagnose van COVID-19 bij een kind. Zo kunnen we nog beter bestuderen hoe vaak een infectie bij kinderen leidt tot verdere verspreiding van het virus. 

Antistoffen in bloed komt weinig voor

Het doel van de PIENTER Corona studie is om inzicht te krijgen in doorgemaakte infectie en opbouw van antistoffen in de Nederlandse bevolking, in verschillende leeftijdsgroepen. Voor dit PIENTER Corona onderzoek zijn begin april 6.100 deelnemers uitgenodigd om mee te doen. Begin juni wordt deze deelnemers plus aanvullende deelnemers gevraagd om de komende 1,5 jaar tot 6 keer zelf vingerprikbloed af te nemen. Met deze metingen is het mogelijk om de verspreiding van COVID-19 en de verandering in opbouw van antistoffen in de bevolking naar leeftijdsgroepen te volgen.

Tot 17 april zijn er vingerprikbloedjes van 2.096 personen onderzocht. De eerste resultaten laten zien dat bij 3,6% van deze personen daadwerkelijk antistoffen tegen COVID-19 in hun bloed gemeten werd. Bij personen onder de 20 jaar was dat ongeveer 1-2%, en bij volwassenen ongeveer 4%. Het aantal mensen waarbij antistoffen in hun bloed is gevonden, is dus nog laag, vooral onder kinderen. Dit is nog een aanwijzing dat kinderen minder vaak besmet worden en dus een minder belangrijke rol spelen in de verspreiding dan volwassenen.

Bron : RIVM

Duidelijke informatie over de Kinderopvang