Voor pedagogisch professionals voelt het misschien alsof warme dagen steeds vaker voorkomen. Je staat op de groep, de zon staat op het gebouw, kinderen worden sneller moe, hangerig of juist drukker. Buiten spelen moet worden aangepast, kinderen moeten vaker drinken en ondertussen moet het dagritme gewoon doorgaan.
Maar hoe vaak komt het eigenlijk voor dat het in Nederland boven de 30 graden wordt? En dan niet op willekeurige kalenderdagen, maar op werkdagen: maandag tot en met vrijdag. Want dát zijn de dagen waarop kinderdagverblijven, peuteropvang en BSO’s ermee te maken krijgen.
En minstens zo belangrijk: wanneer moet een hitteprotocol eigenlijk ingaan?
Wat is een tropische dag?
Een dag waarop de maximumtemperatuur 30,0 graden of hoger is, wordt een tropische dag genoemd.
Dat klinkt misschien uitzonderlijk, maar in de praktijk komt het inmiddels steeds vaker voor. Zeker in warme zomers kan het meerdere keren per jaar gebeuren dat het op werkdagen boven de 30 graden wordt.
Voor kinderopvang is dat belangrijk. Niet omdat 30 graden een magische grens is waarbij ineens alles anders wordt, maar omdat het wel een duidelijk signaal is: op dit soort dagen moet je niet improviseren, maar volgens duidelijke afspraken werken.
Hoe vaak gebeurt dit op werkdagen?
Als we kijken naar meetstation De Bilt, vaak gebruikt als landelijke referentie, dan waren er in de laatste tien jaar 52 tropische werkdagen. Dat is gemiddeld 5,2 werkdagen per jaar waarop het 30 graden of warmer werd.
In de tien jaar daarvoor lag dat lager. Over de periode 2006 tot en met 2015 ging het om 28 tropische werkdagen, gemiddeld 2,8 per jaar.
Dat betekent niet dat iedere locatie in Nederland precies hetzelfde meemaakt. Aan de kust is het vaak koeler. In het zuiden en oosten van Nederland kan het aantal tropische werkdagen juist hoger liggen. Maar als landelijke indicatie laat De Bilt goed zien dat hitte op werkdagen geen zeldzaamheid meer is.
Tropische werkdagen in De Bilt in de laatste 10 jaar
| Jaar | Tropische werkdagen | Datum of periode | Aaneengesloten? |
|---|---|---|---|
| 2016 | 5 | 20 juli, 24-25 augustus, 13-14 september | Twee periodes van 2 aaneengesloten werkdagen |
| 2017 | 2 | 19 juni, 22 juni | Geen aaneengesloten werkdagen |
| 2018 | 9 | 29 mei, 24-27 juli, 30 juli, 3 augustus, 6-7 augustus | Langste reeks: 4 aaneengesloten werkdagen |
| 2019 | 8 | 24-25 juni, 23-26 juli, 26-27 augustus | Langste reeks: 4 aaneengesloten werkdagen |
| 2020 | 9 | 26 juni, 31 juli, 6-7 augustus, 10-13 augustus, 15 september | 6 tropische werkdagen binnen één langere hitteperiode, met weekend ertussen |
| 2021 | 1 | 17 juni | Geen aaneengesloten werkdagen |
| 2022 | 7 | 18-19 juli, 10-12 augustus, 24-25 augustus | Langste reeks: 3 aaneengesloten werkdagen |
| 2023 | 1 | 8 september | Geen aaneengesloten werkdagen |
| 2024 | 3 | 26 juni, 12-13 augustus | Eén periode van 2 aaneengesloten werkdagen |
| 2025 | 7 | 13 juni, 30 juni-2 juli, 12-14 augustus | Twee periodes van 3 aaneengesloten werkdagen |
Toelichting: dit overzicht gaat over De Bilt en telt alleen maandag tot en met vrijdag mee. De telling is een bewerking op basis van KNMI-daggegevens. In het zuiden en oosten van Nederland kan het aantal tropische werkdagen hoger liggen. Aan de kust ligt het aantal vaak lager.
Het gaat niet alleen om losse warme dagen
Wat opvalt, is dat tropische werkdagen niet altijd losse incidenten zijn. In sommige jaren gaat het om meerdere dagen achter elkaar.
Dat is belangrijk voor de kinderopvang. Een gebouw warmt namelijk niet alleen op door één warme dag. Als de warmte meerdere dagen blijft hangen en het gebouw ’s nachts onvoldoende afkoelt, kan de temperatuur binnen steeds verder oplopen. Een groepsruimte die op maandag nog net te doen is, kan op woensdag of donderdag veel zwaarder aanvoelen. Zeker bij baby’s, dreumesen en peuters kan dat veel vragen van medewerkers.
Voor pedagogisch professionals voelt zo’n periode ook anders. Je bent dan niet één dag bezig met “even aanpassen”, maar meerdere dagen achter elkaar met extra drinkmomenten, aangepast buitenspelen, slapen in warme ruimtes, ouders informeren en continu alert blijven op signalen van oververhitting.
2026 lijkt opnieuw boven het gemiddelde uit te komen
Ook 2026 laat zien waarom hittebeleid in de kinderopvang geen theoretisch onderwerp is. Het jaar is nog niet voorbij, maar in De Bilt werd al in mei de eerste officiële tropische dag gemeten. Dat is vroeg in het seizoen.
Omdat juli en augustus normaal gesproken juist de maanden zijn waarin de meeste tropische dagen kunnen voorkomen, lijkt 2026 opnieuw een jaar te worden waarin het aantal tropische werkdagen boven het recente gemiddelde kan uitkomen.
Door klimaatverandering wordt dit waarschijnlijk vaker
Warme dagen zijn van alle tijden. Maar het beeld verandert wel. Door klimaatverandering neemt de kans op hitte, warme perioden en extremere temperaturen toe. Voor kinderopvang betekent dit dat hitte niet langer kan worden gezien als iets incidenteels waar je “die paar dagen per jaar” wel doorheen komt.
Natuurlijk zal niet iedere zomer extreem zijn. En natuurlijk is een warme dag iets anders dan een tropische dag. Maar de trend is duidelijk genoeg om als organisatie niet alleen ad hoc te reageren.
Een hitteprotocol hoort dus geen document te zijn dat pas wordt gezocht als de thermometer al 30 graden aangeeft. Het hoort onderdeel te zijn van normaal veiligheids- en gezondheidsbeleid.
Nederlandse gebouwen zijn vaak gebouwd voor kou, niet voor hitte
Daar komt nog iets bij. In Nederland is jarenlang vooral gebouwd vanuit de gedachte: hoe houden we het binnen warm in koude winters?
Veel gebouwen zijn ontworpen met verwarming als vanzelfsprekend uitgangspunt. Centrale verwarming was normaal. Goede isolatie werd steeds belangrijker. Maar koeling in de zomer kreeg veel minder aandacht. Airco was lange tijd eerder uitzondering dan standaard. Dat is begrijpelijk. Als er vroeger maar enkele echt hete dagen per jaar waren, leek het niet logisch om overal dure koelsystemen aan te leggen. Voor een paar dagen per jaar was dat vaak lastig te verantwoorden.
Maar de praktijk verandert.
Kinderopvang zit bovendien in allerlei soorten gebouwen. Nieuwe gebouwen, oude panden, verbouwde woningen, schoolgebouwen, brede scholen, IKC’s, tijdelijke units, gehuurde locaties en panden in eigendom. Sommige locaties hebben zonwering, goede ventilatie en schaduw. Andere locaties hebben grote ramen op het zuiden, weinig bomen, een versteend plein of slaapkamers die snel warm worden.
Daarom is “zet er gewoon airco in” te makkelijk gezegd.
Airco of bouwkundige aanpassing kan niet overal zomaar
Natuurlijk kan koeling helpen. Zonwering, betere ventilatie, vergroening van het plein, isolatie tegen warmte, screens of airco kunnen veel verschil maken. Maar in de praktijk is aanpassen niet altijd eenvoudig.
Een kinderopvangorganisatie is niet altijd eigenaar van het gebouw. Vaak wordt een ruimte gehuurd. Soms is het pand van de school. Soms moet een verhuurder, gemeente, schoolbestuur of vastgoedpartij meewerken. Soms zijn er technische beperkingen. Soms zijn er vergunningen nodig. En soms zijn de kosten gewoon hoog.
Ook airco is niet altijd een simpele oplossing. Het kost geld, verbruikt energie, vraagt onderhoud en moet veilig en verantwoord worden gebruikt. In slaapkamers of groepsruimtes met jonge kinderen moet je bovendien voorkomen dat kinderen direct in koude luchtstromen liggen of dat temperatuurverschillen te groot worden.
Dat betekent niet dat organisaties niets hoeven te doen. Maar het betekent wel dat de oplossing vaak meer vraagt dan één apparaat ophangen.
Een goed hittebeleid kijkt daarom naar meerdere lagen:
- wat kan direct op de groep worden aangepast?
- wat kan de locatie praktisch organiseren?
- wat vraagt om investering door de houder?
- wat moet met verhuurder, school of eigenaar worden besproken?
- welke bouwkundige aanpassingen zijn op langere termijn nodig?
Kinderopvang in schoolgebouwen: afhankelijk van het gebouw van een ander
Een extra complicatie is dat veel kinderopvanglocaties in of bij een schoolgebouw zitten. Denk aan BSO’s in basisscholen, peuteropvang in een schoolgebouw of kinderopvang binnen een IKC. Dat lijkt praktisch: kinderen zijn al op dezelfde plek, de overgang van school naar opvang is kort en ruimtes kunnen soms gedeeld worden. Maar bij hitte kan het ook lastig zijn. De kinderopvang is dan namelijk vaak afhankelijk van een gebouw dat niet van de kinderopvangorganisatie zelf is.
Soms is het gebouw eigendom van de gemeente. Soms van een schoolbestuur. Soms huurt de kinderopvang een paar lokalen, een speellokaal of een deel van het gebouw. En soms worden ruimtes gedeeld met school. Daardoor kan de kinderopvang niet altijd zelfstandig beslissen over bouwkundige aanpassingen, zonwering, ventilatie, isolatie, vergroening van het plein of airco.
Een houder kan dan wel zien dat het te warm wordt, maar dat betekent niet automatisch dat er morgen screens hangen of een koelsysteem geplaatst kan worden. Daarvoor zijn vaak afspraken nodig met school, gemeente, verhuurder of gebouweigenaar.
Veel schoolgebouwen lopen achter
Daar komt bij dat het onderwijs al langer kampt met verouderde schoolgebouwen en problemen met het binnenklimaat. Veel basisschoolgebouwen zijn oud, renovatie komt niet altijd snel op gang en de verantwoordelijkheden tussen gemeenten en schoolbesturen zijn niet altijd eenvoudig. Dat merk je op warme dagen.
Sommige schoolgebouwen hebben goede zonwering, ventilatie en koele ruimtes. Maar er zijn ook gebouwen waar de oplossing vooral bestaat uit ARKO: alle ramen kunnen open.
Dat klinkt grappig, maar is bij tropische temperaturen natuurlijk geen structurele oplossing. Als het buiten 31 graden is en de zon vol op het gebouw staat, levert een open raam niet altijd verkoeling op. Soms komt er alleen warme lucht naar binnen.
Ook ventilatie is niet hetzelfde als koeling. Ventileren is belangrijk voor gezonde lucht, maar een ruimte wordt er niet automatisch koel van. Zeker niet als de buitenlucht zelf warm is.
Tropenrooster op school, maar kinderopvang blijft open
Voor medewerkers in de kinderopvang kan dat vreemd voelen.
De school in hetzelfde gebouw besluit tot een tropenrooster, omdat de lokalen te warm worden. Kinderen zijn eerder vrij. Leerkrachten en leerlingen verlaten het gebouw eerder. Maar de kinderopvang of BSO blijft open, soms zelfs in hetzelfde pand. Dat voelt tegenstrijdig: als het te warm is voor onderwijs, waarom is het dan nog wel verantwoord voor opvang?
Toch zijn school en kinderopvang niet hetzelfde. Een school kan besluiten de lestijd anders in te richten, kortere lesdagen te draaien of eerder te starten. De school moet daarbij ouders informeren en een oplossing bieden voor kinderen die niet eerder opgehaald kunnen worden.
Kinderopvang werkt anders. Daar zijn contracten met ouders, openingstijden, beroepskracht-kindratio’s, personeelsroosters en opvangafspraken. Een BSO of kinderdagverblijf kan niet zomaar sluiten of eerder dichtgaan omdat school een tropenrooster invoert.
Als de omstandigheden in het gebouw te warm worden, moet ook de kinderopvang maatregelen nemen. Het programma moet worden aangepast, kinderen moeten vaker drinken, intensieve activiteiten moeten worden beperkt en medewerkers moeten extra alert zijn op signalen van oververhitting.
Als ruimtes onverantwoord warm worden, moet worden opgeschaald naar leidinggevende, houder, verhuurder, school of gemeente.
Het vraagt om afspraken vooraf
Juist bij kinderopvang in schoolgebouwen is het belangrijk om vooraf afspraken te maken.
Niet pas op de eerste tropische dag, maar ruim voor de zomer.
Denk aan vragen zoals:
- wie meet de temperatuur in de gedeelde ruimtes?
- welke ruimtes blijven het koelst?
- mag de kinderopvang uitwijken naar andere ruimtes in het gebouw?
- wie is verantwoordelijk voor zonwering, ventilatie of aanpassing van het plein?
- wat gebeurt er als school een tropenrooster instelt?
- kan de BSO eerder starten als school eerder sluit?
- zo ja, onder welke voorwaarden?
- wie communiceert met ouders?
- wat gebeurt er als de binnentemperatuur te hoog oploopt?
- wie neemt contact op met gemeente, verhuurder of schoolbestuur?
Vooral bij BSO’s is dit belangrijk. Als school eerder sluit, ontstaat vaak automatisch de verwachting dat de BSO het opvangprobleem oplost. Maar de BSO kan niet zomaar eerder open als daar geen personeel, planning, contractafspraak of geschikte ruimte voor is. De school blijft verantwoordelijk voor de kinderen tot de oorspronkelijke schooltijd, zie ook Tropenrooster op school: wat betekent dit voor ouders en BSO?
Tijdens normale schooltijd ligt de verantwoordelijkheid in principe bij school. Na schooltijd ligt de opvang bij ouders en, als daar afspraken over zijn gemaakt, bij de BSO. Dat onderscheid moet helder zijn, anders ontstaat er op warme dagen onnodige druk op pedagogisch professionals.
Niet iedere warme dag is een noodsituatie
Tegelijk is het belangrijk om evenwichtig te blijven.
Niet iedere warme dag is meteen een hitteprobleem. Warmte kan onprettig zijn, zeker op een drukke groep of in een benauwde ruimte, maar dat betekent niet automatisch dat het volledige hitteprotocol in werking moet treden. Wel moet serieus worden gekeken naar signalen van medewerkers. Als een ruimte snel opwarmt, slecht ventileert of veel zon vangt, kan dat ook bij lagere temperaturen al belastend zijn. Het gaat dus niet alleen om de buitentemperatuur, maar om de praktijk op de locatie.
Een goed hitteprotocol helpt om discussie te voorkomen. Dan is duidelijk wanneer je alleen extra oplet, wanneer je het dagprogramma aanpast en wanneer er echt moet worden opgeschaald.
Zo voorkom je twee uitersten: te snel alarm slaan én te lang wachten.
Wacht niet tot het 30 graden is
Een belangrijke valkuil is dat een hitteprotocol pas wordt gebruikt zodra het buiten 30 graden is. Eigenlijk is dat te laat. De grens van 30 graden is vooral een meteorologische grens. Voor kinderopvang is de praktijk op de locatie belangrijker dan het getal op de weerapp.
Een groep kan al veel eerder te warm worden. Bijvoorbeeld door grote ramen op het zuiden, weinig zonwering, slechte ventilatie, een plat dak, weinig schaduw op het plein of ruimtes die ’s nachts nauwelijks afkoelen. Daarom is het verstandiger om met fases te werken.
Fase 1: voorbereiden vanaf ongeveer 25 graden
Bij verwachte temperaturen vanaf ongeveer 25 graden is het verstandig om het hitteprotocol alvast klaar te zetten.
Dat betekent niet dat het hele dagprogramma meteen om moet, maar wel dat medewerkers weten dat er extra aandacht nodig is. Denk aan:
- controleren welke ruimtes het koelst blijven;
- zonwering op tijd omlaag doen;
- ventileren op de koelere momenten van de dag;
- drinkwater, bekers en flessen goed klaarzetten;
- alvast bekijken of het dagprogramma aangepast moet worden;
- binnen het team afspreken wie waarop let;
- ouders eventueel herinneren aan luchtige kleding, petjes of zonnehoedjes.
Vooral bij jonge kinderen is vroeg beginnen belangrijk. Baby’s en dreumesen kunnen niet goed aangeven dat ze het te warm hebben of dorst hebben.
Fase 2: actief hittebeleid vanaf ongeveer 27 graden
Vanaf ongeveer 27 graden wordt het voor veel locaties verstandig om actief hittebeleid toe te passen. Zeker als de warmte meerdere dagen aanhoudt of als de binnentemperatuur oploopt.
Dan gaat het niet meer alleen om voorbereiden, maar om echt aanpassen. Denk aan:
- kinderen vaker drinken aanbieden, ook als ze er niet zelf om vragen;
- drukke activiteiten vroeg op de dag plannen;
- intensief buitenspelen beperken;
- schaduw opzoeken;
- rustiger spel aanbieden;
- extra letten op baby’s, dreumesen en kinderen die gevoelig zijn voor warmte;
- slaapkamers en groepsruimtes controleren op temperatuur;
- ouders informeren als de warmte invloed heeft op slapen, eten of het dagritme.
Voor de BSO betekent dit ook: niet automatisch uitgaan van voetballen, rennen of intensief buitenspelen na schooltijd. Juist aan het einde van de dag kan de warmte nog flink in gebouwen en pleinen zitten.
Fase 3: volledig hitteprotocol bij 30 graden of hoger
Bij 30 graden of hoger hoort het hitteprotocol volledig actief te zijn.
Dan is het geen kwestie meer van “even opletten”, maar van bewust anders organiseren. Denk aan:
- geen intensieve buitenactiviteiten op het heetste moment van de dag;
- kinderen niet lang in de volle zon laten spelen;
- extra drinkmomenten inbouwen;
- het dagprogramma rustiger maken;
- baby’s en jonge kinderen extra controleren;
- slapen en rusten goed monitoren;
- waterspel alleen onder toezicht en bij voorkeur in de schaduw;
- ouders informeren als de situatie daarom vraagt;
- duidelijke afspraken maken over ophalen, extra kleding en zonnebescherming.
Het belangrijkste is dat pedagogisch professionals ruimte krijgen om het programma aan te passen. Een planning die op papier mooi is, werkt niet altijd op een tropische dag.
Let vooral ook op de temperatuur binnen
Voor kinderopvang is de buitentemperatuur maar één deel van het verhaal. De binnentemperatuur is minstens zo belangrijk.
Sommige gebouwen blijven redelijk koel. Andere locaties warmen al vroeg op de dag op. Vooral slaapkamers, groepsruimtes met veel glas en ruimtes onder platte daken kunnen snel oncomfortabel worden. Daarom hoort in een goed hitteprotocol ook te staan dat de temperatuur binnen wordt gevolgd. Niet alleen in de gang, maar juist in de groepsruimtes, slaapkamers en speelruimtes waar kinderen veel tijd doorbrengen.
Let bij kinderen onder meer op:
- hangerigheid;
- sufheid;
- rood of juist bleek gezicht;
- veel huilen;
- weinig energie;
- hoofdpijn of misselijkheid bij oudere kinderen;
- minder natte luiers;
- minder willen drinken;
- warm aanvoelen;
- ander gedrag dan normaal.
Bij twijfel moet er altijd worden opgeschaald naar de leidinggevende en, als dat nodig is, naar ouders of medische hulp.
Structurele hitteproblemen moeten worden vastgelegd
Voor medewerkers betekent dit ook: meld structurele hitteproblemen. Niet alleen mondeling op een warme dag, maar ook vastgelegd.
Noteer bijvoorbeeld:
- hoe warm het binnen werd;
- in welke ruimte dit was;
- op welk tijdstip dit werd gemeten;
- welke maatregelen zijn genomen;
- of die maatregelen hielpen;
- of kinderen minder goed sliepen, aten of dronken;
- of medewerkers hun werk nog goed konden doen;
- of ouders vragen of zorgen hadden.
Zonder die informatie blijft hitte snel een gevoel. Met metingen en voorbeelden kan een organisatie beter in gesprek met school, verhuurder, gemeente of eigenaar.
Zeker bij kinderopvang in schoolgebouwen is dat belangrijk. De kinderopvang kan het probleem dan niet altijd zelf oplossen, maar kan wel onderbouwen dat het gebouw op warme dagen tekortschiet.
Waarom dit onderwerp steeds belangrijker wordt
Het aantal tropische werkdagen is niet zo hoog dat kinderopvang weken per jaar volledig in hittemodus zit. Maar het aantal is wél hoog genoeg om vooraf beleid nodig te maken.
Gemiddeld ruim vijf tropische werkdagen per jaar in de laatste tien jaar betekent dat hitte vrijwel ieder jaar terugkomt. En daarbij tellen dagen van 27, 28 of 29 graden nog niet eens mee, terwijl die op sommige locaties al zwaar genoeg kunnen zijn. Zeker als warmte meerdere dagen blijft hangen, kan de praktijk op de groep behoorlijk pittig worden.
Door klimaatverandering zal dit onderwerp waarschijnlijk belangrijker worden. Niet omdat iedere zomer extreem zal zijn, maar omdat warme perioden vaker kunnen voorkomen, langer kunnen duren en gebouwen meer onder druk zetten.
Wanneer moet een hitteprotocol ingaan?
Praktisch samengevat:
- Vanaf ongeveer 25 graden: voorbereiden.
- Vanaf ongeveer 27 graden: actief aanpassen.
- Vanaf 30 graden of hoger: volledig hitteprotocol.
Maar de belangrijkste regel is: kijk niet alleen naar de buitentemperatuur. Kijk ook naar de binnentemperatuur, het gebouw, de leeftijd van de kinderen, de duur van de hitteperiode en de mogelijkheden op de locatie. Een hitteprotocol moet dus flexibel genoeg zijn om aan te sluiten bij de werkelijkheid op de groep.
Samenvattend
In De Bilt waren er de afgelopen tien jaar 52 tropische werkdagen. Gemiddeld gaat het om ruim vijf werkdagen per jaar waarop het 30 graden of warmer werd.
Dat lijkt misschien beperkt, maar voor kinderopvang is het genoeg om hitte serieus te nemen. Zeker omdat het regelmatig niet om één losse dag gaat, maar om meerdere warme werkdagen achter elkaar.
Daarbij verandert de context. Door klimaatverandering neemt de kans op warme perioden toe. Tegelijk zitten kinderopvanglocaties vaak in gebouwen die historisch vooral zijn ingericht op warmte vasthouden in de winter, niet op koelte bieden in de zomer.
Vooral kinderopvang in schoolgebouwen heeft een extra uitdaging. Veel schoolgebouwen zijn verouderd, hebben een matig binnenklimaat en zijn niet altijd ingericht op warme zomers. Als school dan een tropenrooster invoert terwijl de kinderopvang in hetzelfde gebouw openblijft, voelt dat voor medewerkers soms vreemd en oneerlijk. Toch zijn onderwijs en kinderopvang juridisch en praktisch verschillend georganiseerd.
Juist daarom zijn duidelijke afspraken nodig. Tussen houder, school, gemeente, verhuurder en medewerkers. Niet pas op de eerste tropische dag, maar vooraf.
Een goed hitteprotocol is niet overdreven bij iedere warme dag, maar komt ook niet pas in actie als het binnen al onaangenaam of ongezond warm is.
Vanaf ongeveer 25 graden is voorbereiding verstandig. Vanaf ongeveer 27 graden moet het dagprogramma actief worden aangepast. En bij 30 graden of hoger hoort het protocol volledig in werking te zijn. Voor pedagogisch professionals is dat geen luxe, maar noodzaak. Hitte vraagt om duidelijke afspraken, steun vanuit de organisatie, praktische mogelijkheden op de locatie en ruimte om het dagritme aan te passen.
Want goede kinderopvang betekent ook: veilig en verantwoord blijven werken als het buiten tropisch warm wordt.
Bronnen
- KNMI – Tropische dagen
- KNMI – Daggegevens van het weer in Nederland
- Weerstatistieken – De Bilt, gebaseerd op KNMI-gegevens
- Weeronline – Eerste officiële tropische dag van 2026
- KNMI – Klimaat van Nederland en klimaatscenario’s
- RIVM – Kinderdagverblijven en scholen bij hitte
- RIVM – Binnen- en buitenmilieu voor basisscholen en kinderopvang
- GGD Gelderland-Midden – Hittetips voor scholen en kinderdagverblijven
- GGD – Wat te doen bij hitte op school of de kinderopvang?
- Rijksoverheid – Wanneer krijgen scholen een tropenrooster?
- Rijksoverheid – Ventilatie in schoolgebouwen
- Ouders & Onderwijs – Tropenrooster, ijsvrij en calamiteiten op school
- PO-Raad – Kwaliteitsverbetering schoolgebouwen; de urgentie en de oplossingen
- PO-Raad – Onderwijshuisvesting
- RVO – Programma van Eisen Frisse Scholen 2021
