Nieuwe onderzoeken laten zien dat de kinderopvang de afgelopen jaren flink is gegroeid. Er werken meer mensen in de sector, medewerkers maken gemiddeld meer uren en de wachttijden zijn in 2025 licht gedaald. Tegelijk blijft de druk hoog. Het personeelstekort is gestabiliseerd, maar de verwachting is dat het tekort de komende jaren opnieuw oploopt.
Kinderopvang is onmisbaar. Voor kinderen, voor ouders én voor de samenleving. Ouders kunnen werken omdat er goede opvang is. Kinderen krijgen een veilige plek om te spelen, leren en zich te ontwikkelen. En pedagogisch professionals maken daarin elke dag het verschil.
Uit de evaluatie van het arbeidsmarktkraptebeleid in de kinderopvang blijkt dat het aantal medewerkers in de sector sinds 2015 sterk is gestegen: van ongeveer 78.000 naar bijna 127.000 medewerkers in 2025. Ook werken medewerkers gemiddeld meer uren per week. Daarnaast zijn er signalen dat kinderopvangorganisaties hun beschikbare formatie efficiënter inzetten. Het personeelstekort is in 2025 gestabiliseerd rond de 7.000 medewerkers.
Toch is de uitdaging nog niet voorbij. Volgens de laatste arbeidsmarktprognoses kan het tekort zonder stelselherziening oplopen tot ongeveer 19.000 medewerkers in 2031. Met stelselherziening kan dat oplopen tot ongeveer 24.000 medewerkers in 2031.
Wachttijden dalen licht
Het wachttijdenonderzoek laat zien dat de wachttijden in 2025 licht zijn gedaald. Bij de buitenschoolse opvang daalde het aandeel ouders dat langer dan drie maanden moest wachten van 8,3% in 2023 naar 6,1% in 2025. Bij kinderdagverblijven daalde dit aandeel van gemiddeld 14,0% in 2024 naar 10,4% in 2025. Voor gastouderopvang ging het in 2025 gemiddeld om 6,7%.
Dat is positief nieuws, maar de verschillen blijven groot. Vooral bij kinderen van 1 tot 2 jaar is de wachttijd hoog. Bij kinderdagverblijven wachtte in 2025 bijna een kwart van de ouders in deze leeftijdsgroep langer dan drie maanden. Ook bij voorschoolse educatie en peuteraanbod zijn de wachttijden duidelijk hoger dan bij reguliere opvang.
De onderzoekers plaatsen daar wel een kanttekening bij. Een daling in de cijfers betekent niet automatisch dat de druk overal minder wordt gevoeld. Ouders kunnen bijvoorbeeld uitwijken naar andere vormen van opvang, waardoor zij niet meer terugkomen in de wachttijdcijfers. Ook zijn er grote lokale verschillen tussen regio’s, steden en organisaties.
Vooral de BSO voelt de krapte
Uit de evaluatie blijkt dat één op de drie kinderopvangorganisaties een personeelstekort ervaart. De krapte is groter bij BSO’s dan bij organisaties met alleen dagopvang. Bij BSO-organisaties geeft 48% aan een tekort te hebben, tegenover 19% bij organisaties met alleen dagopvang. Ook grotere organisaties hebben vaker te maken met tekorten.
Een belangrijk knelpunt is de zogenoemde urenmismatch. In de BSO zijn vaak vooral uren na schooltijd beschikbaar, terwijl sollicitanten meestal meer uren willen werken. Daarom wordt in de vervolgaanpak gekeken naar oplossingen zoals combinatiefuncties, slimmer roosteren en samenwerking met onderwijs of andere voorzieningen.
Maatregelen helpen, maar lossen het tekort nog niet structureel op
Sinds 2020 werken het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de sector samen aan maatregelen om het personeelstekort te beperken. Die maatregelen richten zich onder andere op meer instroom, minder uitstroom, meer uren werken en een efficiëntere inzet van personeel.
Kinderopvangorganisaties zijn over verschillende maatregelen positief. Vooral maatregelen die direct helpen om roosters rond te krijgen of personeel flexibeler in te zetten, worden als nuttig ervaren. Denk bijvoorbeeld aan ruimere inzet van beroepskrachten in opleiding en aanpassingen in kwaliteitseisen die organisaties meer ruimte geven in de planning.
Tegelijk concluderen de onderzoekers dat er nog geen bewijs is dat het totale pakket aan maatregelen het personeelstekort structureel heeft verminderd. De maatregelen zorgen vooral voor tijdelijke verlichting in de praktijk. Ze helpen organisaties om de dag rond te krijgen, maar verminderen werkdruk, ziekteverzuim en structurele krapte nog onvoldoende.
De praktijk krijgt een grotere rol
De komende jaren gaat de aanpak verder. Daarbij worden pedagogisch professionals nadrukkelijker betrokken. Juist de mensen op de groep weten wat er nodig is om werkdruk te verlagen, werkplezier te vergroten en nieuwe collega’s enthousiast te maken voor het vak.
In de vervolgaanpak wordt onder meer gekeken naar de subsidieregeling voor groepshulpen, de inzet van beroepskrachten in opleiding, het verminderen van ervaren regeldruk en oplossingen voor de urenmismatch in de BSO. Ook regionale verschillen krijgen aandacht, omdat de krapte niet overal op dezelfde manier wordt gevoeld.
Jouw werk doet ertoe
De cijfers laten zien hoe belangrijk het werk in de kinderopvang is. Zonder voldoende pedagogisch professionals lopen wachttijden op, neemt de druk op teams toe en wordt het voor ouders moeilijker om werk en gezin te combineren.
Maar de cijfers laten óók zien dat de sector volop in beweging is. Er komen nieuwe collega’s bij, er is meer aandacht voor BBL-trajecten, werkgeluk en begeleiding, en organisaties blijven zoeken naar manieren om het werk aantrekkelijk en haalbaar te houden.
Werken in de kinderopvang betekent werken aan de ontwikkeling van kinderen én aan de toekomst van de samenleving. De behoefte aan betrokken, enthousiaste en deskundige collega’s blijft groot.
Wie kiest voor kinderopvang, kiest voor werk met betekenis.
