Te weinig handen op de groep: hoe weet je of de BKR klopt?

Als pedagogisch professional in de kinderopvang heb je er bijna dagelijks mee te maken: de beroepskracht-kindratio (BKR). Toch bestaan er veel misverstanden over wat de BKR precies is, hoe deze wordt berekend en wie de regels eigenlijk heeft vastgesteld. Regelmatig ontstaat het gevoel dat er te weinig collega’s op de groep staan. Maar betekent dat automatisch dat de BKR niet klopt? En hoe zit het eigenlijk met de rol van werkgevers, vakbonden en de overheid?

Wat is de beroepskracht-kindratio (BKR)?

De beroepskracht-kindratio (BKR) bepaalt hoeveel pedagogisch professionals minimaal aanwezig moeten zijn bij een bepaald aantal kinderen. Het is een wettelijke norm die geldt voor alle kinderopvangorganisaties in Nederland.

De verhouding verschilt per leeftijdscategorie, omdat jongere kinderen meer aandacht en verzorging nodig hebben dan oudere kinderen. Daarom telt een baby zwaarder mee in de berekening dan een peuter of een kind op de buitenschoolse opvang.

Voor kinderdagverblijven gelden momenteel de volgende normen:

  • 0 tot 1 jaar: 1 beroepskracht per 3 kinderen
  • 1 tot 2 jaar: 1 beroepskracht per 5 kinderen
  • 2 tot 3 jaar: 1 beroepskracht per 6 kinderen
  • 3 tot 4 jaar: 1 beroepskracht per 8 kinderen

Voor de buitenschoolse opvang gelden andere verhoudingen, deze liggen wat ingewikkelder:

De rekenregels zijn als volgt, waarbij gedachte is 1 medewerker op 10 kinderen van 4 tm 6 jaar (vandaar 0,1) en 1 medewerker op 12 kinderen van 7+ (vandaar 0,083)., met daarbij nog een regel over de afronding.

Het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten in relatie tot het aantal aanwezige kinderen op een kindercentrum wordt bepaald op basis van de formule (A x 0,1) + (B x 0,083), waarbij:

  • A staat voor het aantal kinderen op het kindercentrum in de leeftijd van vier jaar tot en met zes jaar;
  • B staat voor het aantal kinderen op het kindercentrum in de leeftijd van zeven jaar tot de leeftijd waarop het basisonderwijs eindigt;
  • bij een uitkomst van ,18 of hoger naar boven wordt afgerond, en
  • bij een uitkomst lager dan 0,18 er ten minste een beroepskracht ingezet wordt, indien er kinderen aanwezig zijn op het kindercentrum.

Deze normen zijn wettelijke minimumnormen. Een organisatie mag ervoor kiezen meer professionals in te zetten, maar nooit minder dan wettelijk is toegestaan.

Hoe bereken je de beroepskracht-kindratio (BKR)?

Een veelvoorkomend misverstand is dat je de BKR eenvoudig kunt berekenen door het aantal kinderen te delen door het aantal aanwezige collega’s. In werkelijkheid werkt het niet zo eenvoudig.

Bij de berekening wordt rekening gehouden met:

  • de leeftijd van de kinderen;
  • de samenstelling van de groep;
  • verschillende rekenfactoren per leeftijdscategorie;
  • wettelijke afrondingsregels.

Vooral bij verticale groepen of groepen met verschillende leeftijden kan de uitkomst daardoor verrassend zijn. Een kleine wijziging in de leeftijdsopbouw of het aantal aanwezige kinderen kan al betekenen dat er een extra beroepskracht nodig is, of juist niet.

Daarom wordt in de praktijk gebruikgemaakt van de officiële BKR-rekentool op 1ratio.nl of van plannings- en kindadministratiesystemen of een excel tool die deze wettelijke berekening automatisch uitvoeren. Deze systemen houden rekening met de leeftijdsopbouw van de groep, de geldende rekenfactoren en de wettelijke afrondingsregels.

Dat verklaart ook waarom een situatie soms anders uitpakt dan collega’s verwachten. Een bezetting die krap aanvoelt, hoeft niet automatisch in strijd te zijn met de wettelijke BKR.

Waarom voelt de bezetting soms toch te laag?

Dit is vaak de reden waarom medewerkers vraagtekens zetten bij de bezetting. De beroepskracht-kindratio bepaalt alleen wat wettelijk minimaal vereist is. De wet zegt niet dat dit automatisch ook de ideale bezetting is voor iedere situatie.

Op een dag waarop meerdere kinderen extra aandacht nodig hebben, er nieuwe kinderen wennen, ouders veel vragen hebben of collega’s afwezig zijn geweest, kan een groep als druk of zwaar worden ervaren terwijl de organisatie volledig aan de BKR voldoet. Daarnaast houdt de BKR geen rekening met individuele verschillen tussen kinderen. Tien rustige kinderen vragen in de praktijk vaak iets anders van een pedagogisch professional dan tien kinderen die veel begeleiding, structuur of individuele aandacht nodig hebben.

Een aantal kinderen met extra ondersteuningsbehoeften, gedragsuitdagingen of een intensieve wenperiode kan een groot beroep doen op de aanwezige professionals. Daardoor kan een groep als zwaar of druk worden ervaren, terwijl de organisatie volledig voldoet aan de wettelijke BKR.

Dat betekent niet dat die ervaring onjuist is. Werkdruk is iets anders dan wettelijke bezetting.

De vraag “voelt dit werkbaar?” is daarom niet altijd dezelfde vraag als “voldoet dit aan de BKR?”.

Is een hoge werkdruk hetzelfde als een overtreding van de BKR?

Nee. Dit is misschien wel het grootste misverstand rondom de beroepskracht-kindratio. Een groep kan volledig voldoen aan alle wettelijke eisen en tegelijkertijd als zwaar worden ervaren. Andersom kan een groep die rustig aanvoelt toch niet voldoen aan de wettelijke norm.

Werkdruk wordt beïnvloed door veel meer factoren dan alleen het aantal kinderen en professionals. Denk bijvoorbeeld aan:

  • de zorgbehoefte van kinderen;
  • de groepsdynamiek;
  • wenkinderen;
  • gesprekken met ouders;
  • administratieve taken;
  • ziekteverzuim binnen het team.

Het is daarom belangrijk om werkdruk en BKR als twee afzonderlijke onderwerpen te blijven bekijken.

De BKR is niet door werkgevers bedacht

Op de werkvloer ontstaat soms het beeld dat werkgevers bepalen hoeveel professionals er op een groep staan. Voor het rooster klopt dat natuurlijk: de werkgever maakt de planning. Maar de wettelijke ondergrens wordt niet door de werkgever bepaald.

De beroepskracht-kindratio is vastgelegd in landelijke wet- en regelgeving. Kinderopvangorganisaties zijn verplicht deze regels toe te passen, ongeacht welke organisatie de opvang aanbiedt. De BKR is ook geen onderdeel van de cao Kinderopvang. De cao bevat afspraken over arbeidsvoorwaarden, salarissen, werktijden, verlof en andere arbeidsrechtelijke onderwerpen.

De beroepskracht-kindratio komt voort uit wet- en regelgeving van de overheid en geldt voor alle kinderopvangorganisaties.

De huidige normen zijn het resultaat van jarenlang overleg tussen het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, brancheorganisaties, oudervertegenwoordigers en werknemersorganisaties. De grootste wijzigingen kwamen met de Wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (IKK), die op 1 januari 2018 in werking trad. Deze wet introduceerde verschillende kwaliteitsverbeteringen, waaronder strengere eisen voor babygroepen.

Ook vakbonden waren betrokken bij de discussies over deze kwaliteitseisen. FNV Zorg & Welzijn en andere vertegenwoordigers van werknemers hebben meegedacht over de ontwikkeling van de kwaliteitskaders die uiteindelijk hebben geleid tot de huidige regelgeving.

Een bekend voorbeeld is de aanscherping van de norm voor baby’s. Waar vroeger één beroepskracht op vier baby’s was toegestaan, werd dit één op drie. Deze wijziging werd juist breed ondersteund vanuit de gedachte dat dit de kwaliteit van opvang en de werkdruk op babygroepen zou verbeteren.

Dat betekent niet dat vakbonden iedere huidige norm perfect vinden of dat er geen discussie mogelijk is over werkdruk. Maar het betekent wel dat de huidige BKR niet uitsluitend afkomstig is uit de ‘koker van werkgevers’.

De normen zijn onderdeel van landelijke wetgeving die mede tot stand is gekomen met betrokkenheid van werknemersorganisaties, oudervertegenwoordigers, brancheorganisaties en de overheid. Een werkgever kan dus niet zelf bepalen wat een acceptabele minimale bezetting is. Die ondergrens ligt vast in de wet.

Welke professionals tellen mee voor de beroepskracht-kindratio?

Nog een veelvoorkomend misverstand is dat iedereen die op de groep aanwezig is automatisch meetelt voor de BKR.

Dat is niet zo. Voor de berekening gelden specifieke wettelijke regels. Niet iedere collega, stagiair, vrijwilliger of ondersteuner telt automatisch volledig mee. Ook voor beroepskrachten in opleiding gelden aparte voorwaarden. Daarbij blijft het uitgangspunt dat een kinderopvangorganisatie altijd voldoende volledig gekwalificeerde beroepskrachten moet inzetten.

Daardoor kan een groep er op papier goed bezet uitzien, terwijl niet alle aanwezige personen daadwerkelijk meetellen voor de wettelijke berekening.

De 3-uursregeling: waarom er soms minder professionals op de groep staan

De wet kent één belangrijke uitzondering op de normale BKR: de zogenoemde 3-uursregeling. Hierdoor mogen locaties die langer dan tien uur per dag geopend zijn gedurende maximaal drie uur per dag afwijken van de normale beroepskracht-kindratio.

Die afwijking mag echter niet willekeurig plaatsvinden. De momenten waarop dit gebeurt moeten vooraf zijn vastgelegd en zijn onderdeel van het beleid van de organisatie.

De 3-uursregeling is dus geen manier om structureel te besparen op personeel, maar een wettelijke uitzondering die bedoeld is om pieken en dalen in aanwezigheid van kinderen op te vangen.

Hoe controleer je zelf of de BKR klopt?

Twijfel je aan de bezetting op jouw groep? Dan is het verstandig eerst de feiten te controleren.

Bekijk daarbij:

  • hoeveel kinderen daadwerkelijk aanwezig waren;
  • welke leeftijden deze kinderen hadden;
  • welke professionals aanwezig waren;
  • wie daarvan meetelde voor de BKR;
  • of de 3-uursregeling van toepassing was;
  • of de situatie vaker voorkomt.

Gebruik daarbij altijd de officiële BKR-berekening van de organisatie of de rekentool op 1ratio.nl.

Zo voorkom je dat een gevoel van onderbezetting wordt verward met een daadwerkelijke overtreding van de beroepskracht-kindratio.

Wat doe je als de beroepskracht-kindratio niet wordt gehaald?

Als uit de feiten blijkt dat de wettelijke norm regelmatig niet wordt gehaald, is het belangrijk dit bespreekbaar te maken. Bespreek je zorgen eerst met je leidinggevende. Je kunt ook terecht bij de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging als die binnen jouw organisatie aanwezig zijn.

Wanneer sprake lijkt van een structureel probleem, kan ook de GGD worden benaderd. De GGD houdt namens de gemeente toezicht op de naleving van de Wet kinderopvang. Een incidentele situatie hoeft niet direct te betekenen dat sprake is van een overtreding. Een administratieve fout, een onverwachte ziekmelding of een uitzonderlijke situatie kan altijd voorkomen. Van een structureel probleem is meestal pas sprake wanneer afwijkingen regelmatig terugkeren en gedurende langere tijd zichtbaar zijn.

Wie controleert de BKR in de kinderopvang?

De naleving van de beroepskracht-kindratio wordt gecontroleerd door de GGD.

Inspecteurs beoordelen onder meer:

  • aanwezigheidsregistraties;
  • personeelsroosters;
  • kindregistraties;
  • beleidsstukken;
  • de toepassing van de 3-uursregeling.

De resultaten van deze inspecties worden vastgelegd in inspectierapporten en kunnen leiden tot maatregelen wanneer een organisatie niet aan de wettelijke eisen voldoet.

Kwaliteitsregel

De beroepskracht-kindratio is waarschijnlijk de kwaliteitsregel waar pedagogisch professionals in de kinderopvang het vaakst mee te maken hebben. Tegelijkertijd is het ook een van de meest besproken en soms minst begrepen onderdelen van de wetgeving.

De BKR is meer dan een simpele rekensom. Leeftijdsopbouw, afrondingsregels, wettelijke uitzonderingen en de inzet van verschillende soorten professionals spelen allemaal een rol.

Belangrijk om te onthouden is dat de BKR geen bedrijfsregel is die door werkgevers is bedacht en ook geen afspraak uit de cao Kinderopvang. Het gaat om landelijke wetgeving die mede tot stand kwam met betrokkenheid van overheid, brancheorganisaties, oudervertegenwoordigers én vakbonden.

Dat betekent niet dat iedere pedagogisch professional de huidige normen voldoende hoeft te vinden. Maar voordat wordt geconcludeerd dat een organisatie de regels overtreedt, is het verstandig eerst de feiten te controleren. Want alleen dan kun je beoordelen of er sprake is van een gevoel van hoge werkdruk, of van een daadwerkelijke overtreding van de beroepskracht-kindratio.

Dat zijn namelijk twee verschillende discussies. Beide zijn belangrijk, maar ze verdienen ieder hun eigen gesprek.

Scroll naar boven