Een recente socialmediacampagne van een vakbond in de kinderopvang roept vragen op over toon, beeldvorming en verbinding binnen de sector.
In een reeks afbeeldingen worden begrippen uitgelegd als “free-riders” en “gele bond”. Ook wordt de hashtag #professionalofoppas gebruikt. Vakbonden hebben belang bij een hoge organisatiegraad en mogen campagne voeren om nieuwe leden te werven. Maar de gekozen woorden roepen wel de vraag op welk beeld hiermee wordt neergezet van de mensen voor wie de vakbond zegt op te komen.
Wanneer een groot deel van de doelgroep een “free-rider” wordt
In de campagne wordt een free-rider omschreven als iemand die geen lid is van een vakbond, maar wel profiteert van cao-afspraken die door vakbonden zijn uitonderhandeld. Binnen de vakbondswereld is dat een bekende term. Maar buiten die context wordt het woord vaak geassocieerd met begrippen als meelifter, profiteur, meeloper of iemand die anderen het werk laat doen.

Want als deze uitleg wordt opgevat als een kwalificatie van niet-leden, dan gaat het niet om een kleine groep. In de kinderopvang lijkt slechts een minderheid aangesloten bij een vakbond. Schattingen van rond de 20 procent leden en dus circa 80 procent niet-leden worden regelmatig genoemd. En van die circa 20 % is niet iedereen lid van deze vakbond.
De vraag is dan niet alleen wat de vakbond bedoelt, maar vooral hoe de boodschap wordt ontvangen. Voelt een niet-lid zich hierdoor uitgenodigd om zich aan te sluiten? Of ontstaat juist het gevoel dat hij of zij wordt neergezet als iemand die vooral profiteert van de inspanningen van anderen?
Een sneer naar andere vakbond(en)?
Ook de uitleg van het begrip gele bond trekt de aandacht. In de campagne wordt dit omschreven als een organisatie die zich voordoet als vakbond, maar te veel samenwerkt met werkgevers en soms akkoord gaat met verslechteringen.

Er wordt geen naam genoemd.
In de kinderopvang zijn feitelijk slechts twee vakbonden actief aan de cao-tafel. Hoewel in de campagne geen naam wordt genoemd, zullen veel lezers daarom direct denken aan de andere vakbond.
Dat is ook niet vreemd. Wanneer een vakbond een afbeelding plaatst waarin wordt uitgelegd wat een “gele bond” is, zal vrijwel automatisch de vraag ontstaan op wie die boodschap gericht is. Juist omdat er binnen de sector nauwelijks andere kandidaten zijn.
De campagne roept daardoor niet alleen vragen op over vakbondslidmaatschap, maar ook over de onderlinge verhoudingen tussen vakbonden. Voor medewerkers kan dat overkomen als een poging om zich af te zetten tegen een concurrent, terwijl zij vooral geïnteresseerd zijn in een sterke vertegenwoordiging van hun belangen.
De aandacht verschuift zo van inhoudelijke arbeidsvoorwaarden naar onderlinge positionering.
Pedagogisch professionals, geen oppassers
Misschien nog opvallender is de hashtag #professionalofoppas.
De kinderopvangsector heeft jarenlang gewerkt aan de erkenning van het vak. Niet voor niets is de functienaam nu pedagogisch professional. De sector wil juist af van het verouderde beeld dat werken in de kinderopvang vooral “oppassen” zou zijn.

Pedagogisch professionals zijn meer dan oppassers. Zij begeleiden kinderen in hun ontwikkeling, signaleren bijzonderheden, werken vanuit pedagogische doelen en dragen dagelijks bij aan de ontwikkeling van jonge kinderen. De term oppas roept eerder het beeld op van een buurmeisje of student die een avondje komt babysitten dan van een gekwalificeerde professional in de kinderopvang.
Waarom zou een organisatie die zegt op te komen voor de belangen van deze beroepsgroep (werkzaam onder de cao kinderopvang) zelf kiezen voor een tegenstelling waarin het woord oppas centraal staat? Misschien dat er andere bedoelingen waren, maar communicatie draait niet alleen om intentie, ook om beeldvorming.
En dan is het een opmerkelijke keuze om een term te gebruiken waar de sector zich juist al jaren van probeert los te maken.
Sterker nog: als je werkelijk vertrouwen hebt in de professionaliteit van de branche, waarom introduceer je dan zelf een woord dat door veel medewerkers juist wordt gezien als een onderschatting van hun vak? Voor sommige lezers kan daardoor de indruk ontstaan dat de afstand tussen de campagne en de dagelijkse praktijk van pedagogisch professionals groter is dan bedoeld.
Vertrouwen begint bij jezelf
De discussie over deze campagne staat niet op zichzelf. Recent bleek uit een poll van Werken bij Kinderopvang dat een grote meerderheid van de deelnemers vindt dat een vakbond alleen geloofwaardig kan zijn als zij ook zelf betrouwbaar, transparant en zorgvuldig handelt. In die peiling gaf bijna 87 procent aan het daar geheel of grotendeels mee eens te zijn, waarbij een hoger aandeel respondenten ook aangaven lid te zijn van een vakbond, dan de werkelijkheid is.
Lees ook: Poll legt pijnpunt bloot: hoort een vakbond niet eerst zelf aan de norm te voldoen?
Dat raakt aan een bredere vraag. Werknemers verwachten van een vakbond niet alleen stevige onderhandelingen en duidelijke standpunten. Zij verwachten ook voorbeeldgedrag, herkenning en verbinding. Juist daarom is toon belangrijk.
Verbinden of polariseren?
Een vakbond hoeft niet altijd vriendelijk te zijn. Bij cao-onderhandelingen of acties hoort soms een stevige opstelling.
Maar een wervingscampagne heeft een ander doel. Die moet mensen overtuigen om zich aan te sluiten. Wanneer in één campagne termen als free-riders, gele bond en #professionalofoppas samenkomen, ontstaat al snel de vraag welk beeld men eigenlijk wil uitstralen. Een organisatie die medewerkers samenbrengt rond gezamenlijke belangen?
Of een organisatie die vooral onderscheid maakt tussen leden en niet-leden, tussen goede en minder goede vakbonden, en tussen professionals en oppassers?
Dat is uiteindelijk waar het om draait.. Niet of een vakbond campagne mag voeren.
Maar of deze toon medewerkers dichter bij de vakbond brengt — of hen juist verder ervan verwijdert.

