De Wet Financiering Kinderopvang (WFK) is inmiddels voor advies naar de Raad van State gestuurd. Daarmee komt invoering van het nieuwe stelsel opnieuw een stap dichterbij. De financiële keuze achter de wet blijft echter opvallend: structureel is ongeveer €3 miljard per jaar extra nodig om de vergoeding voor ouders fors te verhogen.
Dat geld wordt niet rechtstreeks geïnvesteerd in de kinderopvangsector. Er komen daardoor niet automatisch meer pedagogisch professionals, hogere salarissen, extra locaties of meer kindplaatsen. Het grootste deel van de extra uitgaven is nodig om de vergoeding van de opvangkosten voor ouders te verhogen richting 96% van het maximumuurtarief.
Vooral midden- en hogere inkomens profiteren
Ouders met een laag inkomen ontvangen nu al bijna de maximale kinderopvangtoeslag. Voor hen verandert het vergoedingspercentage relatief weinig. Het grootste financiële voordeel zit bij midden- en hogere inkomens.
Dat is bovendien geen kleine groep. Ongeveer 55% van de huishoudens die kinderopvangtoeslag ontvangen heeft al een inkomen van circa twee keer modaal of hoger, grofweg vanaf €93.000 per jaar. Lees ook: Kinderopvangtoeslag: 55% van huishoudens zit op 2 keer modaal of hoger.
Juist deze huishoudens betalen nu een groter deel van de opvang zelf. Onder de WFK gaat ook hun vergoeding richting 96%.
Hoeveel extra arbeid levert dat op?
Een belangrijk doel van de WFK is het verhogen van de arbeidsparticipatie. Maar bij huishoudens met twee keer modaal of meer is de vraag hoeveel extra arbeidsuren werkelijk worden gekocht.
Een gezin dat nu al werkt en bijvoorbeeld drie dagen kinderopvang gebruikt, kan straks duizenden euro’s minder zelf betalen. Voor een deel van deze gezinnen zal dat leiden tot meer werken. Voor veel bestaande gebruikers zal vooral het besteedbaar inkomen stijgen: zij werkten immers al en gebruikten de opvang ook onder het huidige, duurdere stelsel.
Minder terugvorderingen
Een ander belangrijk doel is het voorkomen van hoge terugvorderingen van kinderopvangtoeslag. Dat is begrijpelijk, maar ook het huidige stelsel is de afgelopen jaren al aangepast. Kinderopvangorganisaties leveren maandelijks gegevens over opvanguren en tarieven aan en afwijkingen kunnen steeds eerder worden gesignaleerd.
Daarmee blijft de vraag hoeveel resterende terugvorderingen ook met betere gegevensuitwisseling, eerdere waarschuwingen en automatische correcties kunnen worden voorkomen, zonder daarvoor structureel miljarden extra uit te geven.
Zeker relevant in een tijd van bezuinigingen
Die afweging wordt extra belangrijk wanneer tegelijkertijd voorgenomen bezuinigingen op onder andere de sociale zekerheid noodzakelijk worden geacht.
Dan is het terecht om ook bij een structurele extra uitgave van circa €3 miljard per jaar te vragen wat de samenleving daarvoor terugkrijgt. Zeker wanneer een groot deel van het nieuwe financiële voordeel terechtkomt bij huishoudens die al een relatief hoog inkomen hebben.
Hoe maatschappelijk is deze keuze?
Opvallend is dat juist veel organisaties die zichzelf als maatschappelijk presenteren voorstander zijn van de WFK.
Een eenvoudiger stelsel en het voorkomen van problematische terugvorderingen kunnen zeker maatschappelijke doelen zijn. Maar miljarden extra gebruiken om vooral de vergoeding voor midden- en hogere inkomens te verhogen, kan juist ook de inkomensverschillen vergroten. Dat is niet vanzelfsprekend een maatschappelijke keuze.
Het wetsvoorstel ligt nu bij de Raad van State voor advies. Juist bij een hervorming van deze omvang is daarom een zorgvuldige beoordeling van kosten, effecten en alternatieven belangrijk.
Lees meer over het wetsvoorstel en de vragen rond de totstandkoming: WFK bij Raad van State: miljarden voor hogere inkomens, grote vragen over goed bestuur.
De kernvraag blijft simpel: is het logisch om structureel ongeveer €3 miljard per jaar extra te gebruiken om vooral de kinderopvangrekening van midden- en hogere inkomens te verlagen, terwijl elders wel moet worden bezuinigd?
